François Driesen

|
Dit is het verhaal van François Driesen, soldaat bij de Compagnie Pontonniers van het Bataljon Pontonniers van het Regiment Vestingsgenie. Enerzijds vind je hier informatie over de diensttijd en de oorlog, anderzijds de familiegeschiedenis, dit omdat beide elkaar aanvullen. Om de militaire struktuur beter te begrijpen, hiernavolgend een tabel met de toenmalige eenheden genie. |
|
Genie op datum van 16 december 1913 :
Per Legerdivisie werd er een bataljon Genie toegevoegd, de Cavaleriedivisie werd een compagnie Wielrijders toegewezen.
De Versterkte Stelling Antwerpen (Position Fortifiée d’Anvers , PFA) omvatte :
Kaft mobilisatie-zakboekje
Identificatiegegevens genoteerd in het mobilisatie-zakboekje
Familiegeschiedenis Het begin Frans
Driesen ziet het levenslicht in Hoboken op 18 juni 1893 om zes uur
’s morgens. Hij is het eerste kind van Jan Driesen en Catharina
Mennes. Zijn vader is een Antwerpenaar en zijn moeder is afkomstig
van Hoboken. Hun huwelijk vindt plaats in
Hoboken. Eén
jaar na de geboorte van Frans ziet een tweede kind van het mannelijk
geslacht het levenslicht. Hij krijgt dezelfde voornamen als zijn
broer. Op 31 juli 1896 wordt een zusje geboren. Ze wordt
Marie-Louisa genoemd maar sterft enkele maanden later aan de
gevolgen van een ongeluk. Het spijtige voorval wordt veroorzaakt
door broertje Frans. Marie-Louis ligt in haar houten wiegje wanneer
Frans zijn zusje even wil bekijken. Om dit te doen kruipt Frans op
de grote wielen. Het wiegje wordt uit evenwicht gebracht en het
wichtje komt hard op de stenen vloer terecht. Het is op slag dood.
In 1898 wordt er nog een levenloos kind
geboren. Frans Driesen
interesseert zich geweldig voor de familiegeschiedenis en op latere
leeftijd legt hij een soort van dagboek aan waarin hij allerlei
gebeurtenissen neerschrijft. Hierna volgen fragmenten uit dit
dagboek. Herinneringen van het moederhuis en
moedersvertellingen zijn momenten uit
het leven van zijn moeder Catharina Mennes. Herinneringen van het
“Moederhuis” Moeder vertelt
dikwijls over haar ouders, broers en zusters. Haar ouders
Joannes-Baptist Mennes, geboren in Hoboken op 8 december 1836, en
Joanna Hellemans eveneens geboren in Hoboken huwen in de gemeente op
24 november 1858. Ze krijgen tien kinderen, zeven jongens en drie
meisjes en wonen in een huisje gelegen aan het kasteel van Moretus.
Later houdt Joanna café aan de Oudestraat. Het eerste kind Fredericus, geboren in Hoboken
op 20 september 1857, wordt metser van beroep en trekt op jeugdige
leeftijd naar Amerika. Hij vindt werk in New-York. Hij krijgt echter
heimwee naar “moederhuis” en keert in 1888 met de stoomboot terug
naar Antwerpen. Hij vertrekt voor een tweede keer naar Amerika maar
is ditmaal vergezeld van zijn vrouw Maria Beeckmans en hun dochter
Maria. Deze dochter huwt daar maar overlijdt kort nadien. Fredericus
keert dan terug naar “moederhuis”. Ze
hebben cadeautjes bij voor de ganse familie. Voor de ouders is er
een grote klok en de andere familieleden kunnen zich verkneukelen
aan een fonograaf. Hij blijft met zijn echtgenote een tijdje in
“moederhuis’ waarna hij aan de zuiderdokken in Antwerpen een café
gaat uitbaten. Joannes Franciscus is de tweede in de rij. Hij wordt
geboren op 4 augustus 1860. Hij huwt met Henrica Pauwels en krijgt
bij haar zeven kinderen. Hij is riger van beroep wat wil zeggen dat
hij de touwen van de schepen moet nakijken op Cockerill. Hij is ook
nog kolendrager op die schepen. Catharina Josephina (=moeder van
Frans Driesen) wordt geboren op 3 augustus 1863. Ze verlooft zich
met Jan Driesen en trouwt met hem in Hoboken op 18 juni 1892. Jan
werkt ook op Cockerill dat toen nog in Antwerpen gevestigd is. Hij
is op zijn werk als er een ontploffing is bij de buskruitfabriek van
Austruweel. Hij ziet “een grote zwarte bal” en meent hierin “armen
en benen” te onderscheiden. De werf komt naar Hoboken en Jan die nog bij zijn
ouders aan de Lozannaplaats woont verhuist bij zijn huwelijk
eveneens naar Hoboken. Op de werf worden veel Russische schepen
gebouwd. De grote worden op de werf helemaal klaar gemaakt maar de
kleinere worden in delen naar Rusland verzonden. Daar moeten ze nog
gemonteerd worden. Voor dit werkje heeft men echter vrijwilligers
nodig. Jan Driesen heeft steeds geweigerd om naar Rusland te
vertrekken. Hij overlijdt in Hoboken op 21
september 1939. Catharina blijft alleen achter en woont nog een
tijdje op de Dorpsplaats. Zij overlijdt op 21 augustus
1955. Het
vierde kind is Joannes Augustinus en wordt geboren op 20 december
1865. Hij huwt met Maria Henrica Cop die familie is van de bekende
pottenbakkers. Hij is metser van beroep. Het gezin telt zeven
kinderen. Joannes Mennes overlijdt in Hoboken op 31 januari
1938. Nummer
vijf is Andreas Jacobus. Hij komt ter wereld in Hoboken op 11 maart
1867. In 1896 verhuist hij met zijn gezin naar Antwerpen waar hij op
de Vrijdagmarkt een café gaat uitbaten. Petrus
Constantinus wordt geboren in Hoboken op 9 oktober 1868. Hij
overlijdt één jaar later op 19 oktober 1869. Joanna
Bertina is het tweede meisje en het zevende kind. Zij komt op de
wereld op 2 januari 1870. Ze huwt met Jan Binard en verzorgt de
maaltijden in het café van moeder. Ze kan een pintje verzetten. Bij
vastenavond verkleedt ze zich als oude man en drinkt dan tot ze van
“zattigheid” op de grond tuimelt. Op 10 maart 1941 overlijdt zij in
Hoboken. Nummer
acht krijgt bij zijn geboorte in Hoboken op 3 september 1872 de naam
Franciscus Isidoor. Hij huwt met Maria Venneman. Franciscus sterft
in Hoboken op 25 maart 1940. Maria
Catharina wordt als derde meisje in Hoboken geboren op 20 november
1875. Ze huwt Omer Bruggeman. Ze leert hem hoogstwaarschijnlijk in
‘moederhuis” op café kennen. Omer is wielrenner en toert mee in
kermiskoersen. Nu en dan gaat hij in Antwerpen op de “pist” oefenen.
Hij neemt éénmaal deel aan Bordeaux-Parijs. Hij komt echter platzak
in Hoboken aan. In 1908 bouwt hij in Hoboken een café. Dit is
gelegen op de Dorpsplaats naast het huis van architect Van Rompaey
en heeft een bovenverdieping en een werkhuis achteraan waar fietsen
worden gemaakt en hersteld. Hij verhuist in 1920 met vrouw en drie
kinderen naar Antwerpen. Franciscus Constantinus is het laatste kind. Hij wordt
ook in Hoboken geboren en wel op 15 maart 1878. Hij huwt met Maria
Joanna Verhaert. Zij krijgen één zoon en één
dochter. Moeders vertellingen Ons
armoedig huisje paalt aan het domein van de familie Moretus en dit
is een doorn in hun oog want telkens er een groot feest plaats vindt
kijken wij over de haag naar al die mooie dames in hun schitterende
kleren. Via een stroman verplichten ze ons om het huisje te
verkopen. Vader
is al op 49 jarige leeftijd overleden en moeder koopt een stukje
grond aan de Oudestraat richting Sint Bernardsesteenweg. Zij laat er
een café bouwen. Het is van hout en heeft een keuken en een
slaapkamer. Naast het café komt een gloriet (= prieeltje) met
houten tafels en banken om de gelegenheidsreizigers de kans te geven
even te verpozen en hun dorst te lessen. Het
café ligt recht tegenover het erf van boer Zegers. Achter het café
is er een houten loods die als woonplaats dient voor de twee
dochters, Maria en Bertine, die helpen bij de bereiding van de
maaltijden en eveneens de bediening voor hun rekening
nemen. Op
zaterdagavond komen de boeren naar het café. Ze komen voor een
scheerbeurt en pakken “en passant” een pintje. In de
tuin worden allerlei groenten gekweekt. Aan de overkant van de
steenweg ligt de boerderij van boer Constant Van de Perk. Hij zorgt
voor concurrentie want hij laat ook een café bouwen. Als attractie
wordt er aan wipschieting gedaan. Moeder
blijft niet in het café. Het wordt verkocht en zij trekt met Bertine
naar de Herdstraat. Hoboken is in die tijd geen rustige gemeente. Er
zijn heel wat politieke spanningen. De verkiezing van Coen als
burgemeester lokt heel wat rumoer uit. Het loopt zelf zo uit de hand
dat drie rijkswachters te paard met blanke sabel moeten optreden.
Eén gendarme komt tegen een metalen steunpilaar terecht en vliegt
over zijn paard. Een tweede die de Lelieplaats komt opgestormd
belandt in de vijver en de derde druipt af naar de kazerne. Het
waren erg woelige tijden. Jeugd en militaire
dienst Als knaap loop ik
school in de Kapellestraat. Op achtjarige leeftijd word ik lid van
de Sint-Jan Berchmans turnkring en zal dat blijven tot mijn op
pensioenstelling. In 1911 ga ik werken in de Vlaamse ketelmakerij
als helper traceerder. Mijn vader werkt er ook. Ik blijf er werken
tot ik opgeroepen word om mijn legerdienst te
volbrengen. Mijn vrouw
Liza leer ik kennen in een café op de Dorpsplaats. Ze is er met haar
vader en ze zitten achteraan in het café. Ik vraag haar om te dansen
en ze antwoordt dat ze dat niet kan. “Ik leer het je wel”, zeg ik.
Maar we zijn nog maar net op de dansvloer of we liggen al tussen de
tafels. Ik heb haar dan maar terug naar haar vader gebracht.
Een jaar later
ontmoet ik haar weer op een bal. Ik ben haar weer gaan halen om te
dansen. Het lukte dit keer. We besluiten verder met elkaar om te
gaan. Ze werkt in een
naaiatelier aan de Berkenrodelei en wilt later naaister worden. Ik
vraag haar of ik met haar verkering mag hebben en ze zegt dat ik dat
aan haar vader moet vragen. Hij geeft zijn toestemming en ik mag
haar voor het eerst een kus geven. Elisa Dussen
(geboren in Hoboken op 9.12.1891) is de dochter van Felix Dussen
(Berchem, 20.11.1850) en Joanna Joacim (Antwerpen, 23.01.1852). Ze
woont in het Sint-Andrieskwartier in Antwerpen. Haar vader werkt op
Cockerill. Wanneer Cockerill naar Hoboken overgebracht wordt,
verhuist ook het gezin Dussen naar de gemeente. Op de werf krijgt
Dussen de bijnaam de ‘gids’. Men beweert dat Felix Dussen van
adellijke komaf is. Zijn moeder diende in een adellijk gezin en
geraakte in verwachting. Ze trouwt met Franciscus Dussen en deze
erkent het kind. Felix is dan al vier jaar. Het gezin Franciscus
Dussen-E Van Diependael krijgt nog 6 kinderen. Ze sterven allemaal
aan de gevolgen van cholera. Enkel Felix blijft
over. Felix Dussen en
Joanna Joacim krijgen 6 kinderen. De cholera-epidemie die Antwerpen
teistert ontneemt het gezin 4 kinderen. Mijn Elisa overleeft.
Korte tijd na onze ‘verloving’ word ik
opgeroepen. Ik ben van de klas van 1913 en ga bij de “pontonniers”.
Ik word ingekwartierd in Burcht. Ik geef mijn “lief’ een kaartje
waarmee ik “trouw en liefde” beloof. Na een tijdje hoor ik niets
meer van haar. Ze heeft een andere vrijer. Tijdens een pompiersfeest
in café Rodenbach op de Dorpsplaats kom ik ze terug tegen. Ik dans
met haar en ze zegt me dat ze niet meer vrijt. Later vind ik in
de brievenbus van de kazerne een brief met een portret van haar. Nog
later komt ze met haar vader op bezoek. Ik krijg van mijn overste
verlof om met haar en haar vader een pintje te gaan drinken. De
oorlogsdreiging is ondertussen reeds begonnen en we krijgen het
bevel om naar de brug van Hemiksem te gaan. Ik wil mijn
ouders en mijn lief nog een keertje zien en in Hemiksem aangekomen,
vraag ik de sergeant enkele uurtjes vrij af. Hij stemt toe en ik
trek naar mijn ouders. De sergeant bedank ik met een gestroopt
konijntje. Tijdens en na Wereldoorlog I De oorlog gaat verder en Antwerpen wordt bedreigd. We
moeten de brug van Hemiksem afbreken. Ze bestaat uit twee delen en
ieder deel moet naar Antwerpen afdrijven. Ik moet met het eerste
ponton mee. Ik ben mij echter gaan verschonen in een café en het
eerste ponton vertrekt zonder mij. Ik moet dan maar met het tweede
mee. Er is echter nog
geen bevel en we overnachten dan maar in de machinekamer van de
overzetboot naar Bazel. ‘s Morgens komt het bevel tot afvaart en
drijven we naar Antwerpen. Daar aangekomen moeten we de pontons
laten zinken evenals al de schepen die aan de kade
liggen. Mijn ouders die
op de vlucht zijn, vertoeven ook in Antwerpen. Ze willen via
Nederland naar Engeland. Ik neem hen mee naar de brug over de
Schelde aan hangar 1. Daar vraag ik aan de overste of mijn ouders
mogen oversteken. Hij geeft toestemming. Ik moet terug
naar de kazerne. Daar worden we zwaar bewapend en krijgen de
opdracht richting Temse te trekken en alle schepen te kelderen die
we tegenkomen. Met 19 trekken we naar Temse. We geraken in Bazel en
hebben nog geen enkel schip gezien. Het is al laat en we overnachten
in een schuur. ‘s Morgens zoeken we een café om iets te kunnen eten.
Na de maaltijd trekken we terug naar de schuur. We blijven er de
hele dag. In de late namiddag gaan we terug eten. Bij mij wordt het
eten erg laat opgediend en wanneer ik weer aan de schuur ben zijn
alle pontonniers reeds weg. Ik tracht hen in te halen maar neem een
verkeerde weg en kom in Sint-Niklaas aan. Daar staat een trein klaar
om vluchtelingen naar Nederland te brengen. Ik stap op. In Klinge
doet een officier teken van op het perron om uit te stappen. Ik
vertik het. In Terneuzen moet iedereen van de
trein. Daar er Duitsers
worden gesignaleerd ga ik met andere soldaten de wacht houden bij de
grens. De Duitsers blijken echter Engelsen. Men deelt mij in bij
vluchtelingen uit Mechelen. Ik ben nog altijd zwaar bewapend. Te
voet gaat het naar Hulst. Als gewapend soldaat mag ik Hulst niet in,
Bij een boer begraaf ik mijn wapens, mijn munitie en mijn uniform.
Enkele vluchtelingen bezorgen mij klederen. In Hulst beleef ik de
verrassing van mijn leven. Wie zie ik er ? Mijn ouders, mijn lief en
haar ouders. Op de
gemeenteplaats van Hulst worden klederen voor de vluchtelingen op
een hoop gesmeten. Iedereen haalt er uit wat hem past. Ik neem een
piottenvest en voel me weer soldaat. Mijn ouders kunnen naar
Engeland vertrekken. Mijn lief gaat naar Amsterdam en ik word
ingedeeld bij een groep andere militairen die naar een kamp in
Harderwijk moeten. Het kamp is nog niet af en wij slapen met zessen
in een tent. Ons bed is een hoop stro. Naast mij ligt een Vlaams
sprekende Waalse stroper. Wegens mijn vest krijg ik de bijnaam
“piot.
De barakken
worden gebouwd en met dezelfde zes trek ik in nummer 16 in. Wij
krijgen een slaapzak en een deken. Aan ons bed is een kastje waar we
ons eetgerei in kunnen opbergen. Veel is er in het kamp niet te doen
en samen met mijn vriend de stroper maak ik van lege sigarenkistjes
sierdozen. We trachten ze te verkopen in de kantine. Het kamp wordt
uitgebreid. Er komt een bibliotheek, een drukkerij, een ziekenboeg
en voor de Belgen een ‘frietkot”.
Ik schrijf naar mijn lief in Amsterdam dat ik het kamp
wil ontvluchten. Mijn brief wordt door het kampbestuur gelezen. Mijn lief komt mij
eindelijk bezoeken maar ik krijg geen toestemming om de stad in te
gaan. Ik wil immers vluchten. Ik bedenk een list. Ik laat me op het
bureau achterover vallen. Ik verwond me. Ik word verzorgd en mag dan
toch het kamp verlaten. Ik geniet. Maar.., er loopt een gewapende
soldaat achter ons. Traceerder van
beroep zijnde, moet ik gaan werken op de scheepswerf Dordrecht. Een
tijd later word ik verplaatst naar een kleinere scheepswerf in
Papendrecht. Daar verblijven we in barakken waar we bewaakt worden.
Ons loon wordt op een spaarboekje gezet. We zullen het maar eerst na
de oorlog kunnen gaan opvragen. In Papendrecht zijn wij wel veel
vrijer. Wij mogen vier maal per week alléén de stad in en de familie
mag ook naar daar verhuizen. Liza en ik willen trouwen. Mijn ouders
moeten echter toestemming verlenen en die wonen in Engeland. Via de
ambassade komen de documenten in orde, Wij huwen in Papendrecht op 4
augustus 1916. Ons eerste kind wordt daar geboren en we geven het de
voornaam van mijn schoonvader: Felix.
We
zijn 17 augustus 1917. De oorlog loopt ten einde en ik word
vrijgelaten op 15 december 1918. Op 21 december vertrekken we naar
Hoboken. Ik ga terug bij mijn vorige werkgever, de ketelmakerij,
werken. Rond 1919 is er beroering in de fabriek. Ik vraag aan de
meestergast, Maurice De Lange, loonopslag van iets boven de 2 fr.
per uur, zowel voor mijn vader als voor mij. We krijgen het niet. Ik
neem dan de wijk naar Cockerill. Als bij toeval val ik bij de
propagandisten Flor Sterk en Lode De Lei. Door hun bemiddeling kom
ik bij directeur Smal terecht en word ik aangeworven als traceerder.
Het grappige is dat er geen werk voor een traceerder is. Ik sluit me
aan bij het ACV op 20.3.1920 en krijg nr. 207. Mijn eerste werk is
de boel wat opruimen in het werkhuis. Daarna krijg ik de opdracht
een kleine kraan te ontwerpen om goederen naar de eerste verdieping
te hijsen. Er werken ook enkele oudere traceurs en die hebben allen
een bijnaam: de neus, de vlaag en Peer Veryken. Nortje van De Peir
is mijn meestergast. In het kleine dok, voor het houtmagazijn, ligt
een onafgewerkte Sternweel (rivierschip) voor de Congo, die nog door
drijfraderen voort bewogen wordt. Ik krijg opdracht het schip verder
af te werken. ‘s Middags ga ik altijd eten in de oude werkplaats
waar mijn grote koffer staat en waar ik mijn klederen en mijn eten
in opberg. Ik bid voor het eten een weesgegroet en maak daarna een
kruisteken. Eén van mijn werkmakkers heeft op mijn kist “Amen”
geschreven. Wie het gedaan heeft, heb ik nooit geweten. Leon Van den
Bossche krijgt opdracht om in de Congoboot Leopoldville de
machinekamer en de ruimen te traceren. Een goede maand later neemt
hij ontslag en gaat als meestergast op de scheepswerf te Rupelmonde
werken. Ik krijg opdracht om het werk van Leon af te werken en ik
neem een helper in dienst. De oude traceurs pikken niet dat ik me
als jongeling, op zo’n korte tijd opwerk. Die
oude traceurs eisen dat ik lid word van de vakbond van de
socialisten, Ze zeggen dat ze gaan staken om mij uit de scheepswerf
te drijven. Ze voegen de daad bij het woord en blijven na het
middageten aan de poort staan. Ik krijg, aan mijn werkbank, het
bezoek van de socialistische vakbondsleider. De heer Dupont moet
bemiddelen van de directie. Dezelfde middag krijg ik ook nog het
bezoek van Ingenieur De Bievre. Hij komt mij melden dat de poort
voor de gehele werf gesloten blijft. Maar in de namiddag zijn er
onderhandelingen tussen Dupont en de directie en de volgende dag
komen mijn collega’s terug werken. Op 30
september 1919 koop ik een huis in de Elststraat nr. 14 (nu nr. 18)
voor de prijs van 9.000 fr. Mijn schoonvader Felix Dussen geeft een
voorschot van 1.000 fr. Een tijd later zijn er weer stakingen op de
Cockerill uitgelokt door propagandist Sooi Peters. Maar die worden
door de directie gebroken. Een korte tijd later staken de bedienden.
Ik heb een vrouw en kinderen ten laste en door al die stakingen word
ik verplicht uit te wijken naar Mercantille. Na afloop keer ik terug
naar Cockerill. Ik ben nog enkele keren terug naar Mercantille en
Biliard gaan werken maar keerde steeds terug naar
Cockerill. In
1920 heeft de familie Smidts het voornemen een scheepswerf op te
richten in Hemiksem. Ik word gevraagd om bij hen te komen werken. Ik
weiger omdat ik goede vooruitzichten heb op Cockerill Tijdens de
tweede Wereldoorlog ligt Cockerill stil. In die periode werk ik voor
het Rode Kruis en krijg de palmen 1940-1945 voor bewezen diensten.
Ook na de oorlog blijf ik lid van het Rode Kruis. Tijdens die
periode werk ik voor eigen rekening als vertegenwoordiger. Na de
oorlog trek ik terug naar de “zaat” en blijf er tot aan mijn
pensioen in 1958. Mijn
vrouw overlijdt in Hoboken op 20 maart 1962. Ik heb mij dan ingezet
voor de O.-L.-Vrouwparochie waar ik allerlei klusjes doe voor de
minstbedeelden. Ik ben ook lid van O.-L-.Vrouw van Averbode en als
medewerker werf ik nieuwe leden
aan.
|
Terug naar : www.geniak.be
|
Onderstaand artikel is verschenen in VIFF-Flash nummer 40.1
|
Terug naar : www.geniak.be