|
|
Monumenten Genie |
|
BRUSSEL : Square Vergote - Monument van de Genie

|
Op het Vergoteplein te Brussel vindt jaarlijks het traditionele eerbetoon plaats aan het Monument van de Genie. Hoe is de traditie ontstaan ? Aan wie brengen wij hulde ? Een herinnering aan de geschiedenis van het Monument beantwoordt deze vragen. Deze herinnering is des te meer noodzakelijk daar hieromtrent nauwelijks geschriften bestaan. Inderdaad, het Koninklijk Museum van het Leger verklaart geen enkel document in zijn archieven te bezitten betreffende dit onderwerp. De situatie is niet anders in de Stad Brussel. En de Genieschool, die op dat gebied erfgenaam is van de bevoegdheden van de Inspectie en van de Directie van de Genie, is niet rijker. Men was verplicht een beroep te doen op de echos die verschenen in de pers en op het geheugen van de ouderen. Buiten de jaarlijkse plechtigheid hebben drie mijlpalen tot nog toe te geschiedenis van het Monument bepaald : de inwijding door Koning Albert op 2 December 1928, de plaatsing van het opschrift “1940 –1945” daags na de Tweede Wereldoorlog, de overbrenging naar de huidige plaats in 1957. |

02 Dec 1928
|
In Februari
1924 wordt een Comité gevormd met de bedoeling de nodige fondsen te
verzamelen voor het oprichten van een Monument ter verheerlijking van het
offer van 1126 doden van de Genie ( waartoe op dat ogenblik de
Transmissies behoorden ) tijdens de oorlog 1914-1918. Luitenant-Generaal
Lartigue (50 Promotie AG), destijds inspecteur van het wapen, nam het
voorzitterschap waar. Overigens werden gelijkwaardige initiatieven genomen
door andere wapens en instellingen. Zo werd in die periode met memoriaal
van de KMS opgericht, dank zij een intekening gelanceerd door een groep
voormalige leerlingen en waaraan de Koning in hoogsteigen persoon zijn
bijdrage leverde. Vier jaar later, op 2 December
1928, wordt het monument van de Genie, opgetrokken op het grote voorplein
gevormd door het IJzerplein en het Saincteletteplein, in de as Kruidtuin –
Basiliek, plechtig ingehuldigd door Koning
Albert. |

|
Was de datum gekozen in functie van het Feest van de Heilige Barbara ? De verslagen van de dagbladen reppen hierover geen woord ; het ziet er echter naar uit dat het bijna samenvallen van de twee data niet toevallig kan zijn. “Le Soir” van 3 December leidt
de reportage van de plechtigheid als volgt in
: “Een groot plein dat de glorieuze naam van de Yser draagt. In het midden van dat plein, een grasveld versierd met enkele kleine heesters en, boven dit groen uitstekend, de levendige blauwe kleur van de stenen en de witte kleur van de marmer. Ziehier het grootste monument van beeldhouwer Samuel en architect Van Neck : het standbeeld van een man, de borstkas ontbloot en in het bezit van een zwaard. Het lijkt een denker, een wijze, …” Generaal Lartigue is ervan
overtuigd dat de keuze van de plaats symbolisch is, want in het begin van
zijn toespraak bedankt hij de Stad Brussel “voor haar toestemming om het
Monument op te richten op een plein waarvan de naam zoveel heldemoed
uitdrukt…”. Maar indien de zaken zo staan, vanwaar is dan de huidige
gewoonte gekomen om de vorige plaats van het Monument door
“Saincteletteplein” aan te duiden ? In zijn toespraak onderlijnt
Generaal Lartigue eveneens de symboliek van het werk van beeldhouwer
Samuel : “Het zwaard dat deze denker op zijn hart drukt, is het zinnebeeld
van de eer, de rechtschapenheid en de getrouwheid aan de plicht ; zijn
gedachten gaan naar degenen die hun leven offerden om aan die hoge deugden
trouw te blijven …” Deze zinnen vinden we
gebeiteld in het voetstuk van
het standbeeld. Het hoogtepunt van de
inhuldigingsplechtigheid was de toespraak van de koning
: “Het Belgisch Geniekorps, zei
de Vorst, heeft binnen en zelfs buiten de landsgrenzen een hoge reputatie
van volharding en morele kracht. Die reputatie heeft het verdiend door de
kennis van zijn officieren de vorming en de zin voor initiatief van de
onderofficieren en van de soldaten, de geestdrift en toewijding, die
gewone zaak zijn niet alleen in de compagnieën van de Divisiegenie, maar
ook in de verschillende gespecialiseerde technische eenheiden :
telegrafiesten, piloten, bestuurders van luchtballons, spoorwegtroepen,
torpedisten, munitiedeskundigen. De oorlogsbeproeving moest deze
elitetroepen de kans geven de kracht te bewijzen van hun tradities, alsook
de waarde van hun korpsgeest, door heldendaden die het hele Leger eer
aandoen…” Deze zinnen verdienen gegrift
te blijven in een zaal van de Genieschool alsook in het geheugen van ons
allen. Het betreft hier inderdaad de meest welsprekende lofrede die ooit
aan het wapen werd gebracht, maar tegelijkertijd vormen deze woorden het
handvest dat steeds als gids moet dienen voor het gedrag van zijn
officieren en al zijn personeel. De Koning gaat verder met een
samenvatting van de bedrijvigheid van de Genie in de loop van vier jaar
oorlog … Hij besluit met een bepaling van de zin en de draagwijdte van
iedere latere verzameling aan de voet van het Monument :
“Bezield door dezelfde
gevoelens, staan wij hier verenigd in de vervulling van eenzelfde taak.
Aan de voet van dit indrukwekkende Monument ter nagedachtenis van die
bewonderswaardige officieren, onderofficieren en soldaten van de Genie,
komen wij de gepaste hulde brengen en dezelfde hoogachtiging en
dankbaarheid betuigen.” En terwijl de vorst sprak,
konden de aanwezigen een blik werpen op de opschriften die in de steen met
gouden letters waren gebeiteld en die de plaatsen van de heldendaden van
de Genie alsook de namen van haar verscheidene onderdelen
vermelden. Net als hen kunnen wij nog
lezen: “Luik – Halen – Yser –
Nieuwpoort – Woumen – Clercken – Blanckaert – Bos van Houthulst –
Handzaeme – Kortemark – Westrozebeke – Oostnieuwkerke – Passchendaele –
Moorslede – Rumbeke – Ingelmunster – Balgerhoek – De Leie – Vlaanderen
18” “Namen – Antwerpen –
Dendermonde – Reigersvliet” Deze eervolle vermeldingen
bevinden zich in de vier blokken blauwe steen die de halve kroon
versieren, die op haar beurt het standbeeld omgordt. En langsheen die hele
kroon, ontdekken we de onderdelen van de “Geniefamilie” in 1914 – 1918
: “Aérostiers – Pontonniers –
Télégraphisten – Cyclistes – Bataillons de Forteresse – Troupes auxiiaires
– Fontainiers – Chemins de fer – Service Spécial – Bataillons
divisionnaires – Projecteurs – Torpilleurs”. “Luchtvaarders – Pontonniers –
Telegrafiesten – Wielrijders – Vestingsbataljons – Hulptroepen –
Fonteiners – Spoorwegtroepen – Bijzondere dienst – Divisiebataljons –
Zoeklichten – Torpedisten”. Op zijn oorspronkelijk plaats
“staat het monument zelf nobel gescheiden ; aldus schrijft La Libre
Belgique op 03 december 1928 – van het klein plantsoentje dat het omringt
en dat dikke bosjes groen versieren.” Onze kameraden van de
Koninklijke verbroedering van de Genie van het Cavaleriekorps en van de
Pantsergenie hebben er ons onlangs aan herinnerd door in het n°71 van hun
tijdschrift (3e trimester 1987) de fotoreportage te reproduceren, die in
de toenmalige ‘Patriote Illutré” was verschenen. Men is hen hiervoor dank
verschuldigd. De plechtigheid van december
1928 blijft geen eenmalige gebeurtenis. In 1931 wordt een Actiecomité van
de Genie opgezet. De opdracht die het zich toemeet beantwoordt aan de
koninklijke woorden “De traditionele korpsgeest van de Genie cultiveren,
de verschillende maatschappijen van de soort groeperen, tijdens
manifestaties ter ere van de Genie en tijdens plechtigheden ter
nagedachtenis van de Strijders van de Genie, die sneuvelden voor het
varderland”. Een beroemde oudstrijder,
Generaal Umé, sticht en bezielt het comité en zit het
voor. Sinds 1931 organiseert dit
comité jaarlijks, in principe de laatste zondag van September, de “dag van
de Genie” waarvan het hoogtepunt het huldebetoon aan het Monument is.
De invasie
van 1940 maakt tijdelijk een einde aan die jaarlijkse
bijeenkomsten. Vanaf het einde van de oorlog
40-45 hervat men de van dan
af traditionele groet “Aux nôtres, tombés pour la défense de la patrie et
l’honeur de leur arme” (Aan de onzen, die vielen voor de verdediging van
het Vaderland en de eer van hun wapens); getuige hiervan de gegraveerde
melding aan de twee uiteinden van het Monument. Maar voortaan moest men aan de
herinnering van de oudstrijders van 14-18 ook die verbinden van alle
Geniemannen die vielen tijdens de tweede wereldoorlog. Er waren 309
gesneuvelden alleen al tijdens de 18-daagse
veldtocht. Want hoewel in 1940 de eenheden van de Geniefamilie vaak andere
namen droegen dan in 1914, hebben zijn nogmaals, gedurende het hele
conflict, “de kracht van hun tradities en de waarde van hun korpsgeest
bewezen.” De twee jaartallen “1940 –
1945” werden dus in september 1948 gegraveerd ter nagedachtenis van de
doden van de 30 bataljons en twee onafhankelijke compagnieën van de
veldtocht van 1940, van die van het Regiment der Transmissies van 40, van
de10 bataljons Pioniers, Legergenie en Ontmijners alsook van de 7
Technische of Constuctiecompagnieën van de veldtocht 1944 –
1945. Men had er ook graag de
eervolle vermeldingen willen inschrijven die behaald werden in de loop van
het conflict: -
Albertkanaal (6 Gn in
1940) -
De Gete (20Gn in
1940) -
Veldslag van België 40
(Rgt Transmissies in 1940) -
Normandië, Wessemkanaal
(1 Gn in 44 – 45) Maar dit project kon nooit
gerealiseerd
worden. |

| De “Dag van de Genie” wordt in die periode eveneens de
officiële manifestatie van het Wapen ; zijn verantwoordelijken – de
inspecteur van de Genie en tegenwoordig de Commandant van de Genieschool –
nemen ook sinds 1950 de rol over van het Actiecomité voor de organisatie
van de dag. In het kader van de werken met
het oog op de verbetering van het verkeer op de kleine ring, beslisten
Openbaren Werken in het begin van de jaren vijftig tussen het Rogierplein
en de Basiliek een grote viaduct te bouwen, die sinds kort door een tunnel
is vervangen. De oprichting van dit kunstwerk veronderstelde de
verplaatsing van het Monument, dat zich op het Yzerplein
(Saincteletteplein) bevond. Groot was de opschudding bij de verbroedering
zowel als bij het wapen ; het Monument mocht inderdaad niet worden
“verbannen” naar een verloren en voor het groot publiek onbekende
plaats. Op dat tijdstip was een officier van de Genie, Luitenant – Generaal
Baron de Greef, Minister van Landsverdediging. Hij was het die voorstelde
om als nieuwe plaats één van de twee vleugels van het Vergoteplein te
kiezen ; volgens zijn visie had de andere vleugel kunnen dienen voor het
Monument van de Artillerie, indien dat ooit zijn plaats rechtover het
Arsenaal te Etterbeek moest verlaten. Uiteindelijk werd het voorstel,
niet zonder moeite, weerhouden en werd het akkoord van de verschillende
overheden verkregen. Aldus verliet het Monument de kleine ring en de stad
Brussel om over te gaan naar de buitenste boulevards, aan de grens van de
gemeenten Schaarbeek en St Lambrechts-Woluwe. Tijdens de dag van de Genie van
29 september 1957 werd het Monument in zijn nieuw kader ingehuldigd.
Generaal Danneels, inspecteur van de Genie, zat de plechtigheid voor.
Generaal Umé, destijds nog steeds voorziter van het Actiecomité, kwam de
eer toe een toespraak te houden. Hij beklemtoonde het feit dat
de nieuwe standplaats het Monument innig verbindt met degene die de
oprichting ervan promoveerde, want hij bevindt zich voortaan op de plaats
waar de Luitenant-Generaal Lartiguelaan eindigt. Deze laatste werd in 1942
vermoord door huurdoders van de bezetter. Na nogmaals de Stad Brussel te
hebben bedankt, vertrouwde hij de zorg voor het Monument aan de twee
gemeenten toe. Ieder op hun beurt aanvaardden de Heer F. Blum,
burgemeester van Schaarbeek en de Heer Becker, waarnemend burgemeester van
St-Lambrechts-Woluwe deze opdracht en garandeerden zij de bescherming en
het onderhoud ervan.
En sedertdien keren we jaarlijks weer naar deze plaats, ter nagedachtenis van onze doden, steeds bezield met de wil om de “hoge reputatie van volharding en morele kracht van de Genie “ intakt te houden.
Er bestaat aldus te Brussel één Monument van de Genie, maar er zijn talrijke "plaatsen van herinnering" aan de Genie in heel het land. Vandaar dit initiatief om deze te bundelen in deze website. |

|
|
|
|